Drie punten

De predikant weet al tijden te voren welke lezingen aan de orde zijn. Hij heeft zich voorbereid en het is hem helder wat hij daar straks over zeggen zal. De parochie daarentegen staat op achterstand. Zij hoort die lezingen voor het eerst en heeft vooralsnog geen idee waar de predikant naartoe wil.

De predikant mag ervan uitgaan dat zijn hoorders nieuwsgierig zijn. Hij hoeft het zijn hoorders niet per se gemakkelijk te maken, maar ook niet nodeloos moeilijk. In de opbouw van de preek moeten aan het begin voldoende kapstokken zitten waar de hoorders het gehoorde aan op kunnen hangen. De predikant moet zijn kaarten open leggen. Dat is iets anders dan de clou weggeven. Hij moet wel de kaders aangeven waarbinnen de moves van de preek te plaatsen zijn.

In vroeger tijden hadden preken dikwijls een min of meer voorspelbare opbouw. De preek was als genre herkenbaar. Geoefende hoorders konden de volgende stappen al raden. Op die conventionele vorm is qua saaiheid wel een en ander af te dingen, maar anderzijds is een mate van herkenbaarheid noodzakelijk voor de communicatie. Preken maakt deel uit van de viering en is geen didactisch instrument, maar van een predikant mogen didactische vaardigheden verwacht worden.

Een ouderwetse calvinistische preek in drie punten: ellende, verlossing en dankbaarheid, is onlosmakelijk met een gedateerde dogmatiek verbonden. Dat neemt echter niet weg dat een drietal punten wel degelijk een dienstige vorm kan zijn. Dus na een inleiding zegt de predikant wat hij van plan is te doen en betrekt hij de parochie bij de opbouw van de preek. De hoorders kunnen zich instellen op wat aan de orde komt. Bijvoorbeeld:

Ik wil vanmorgen iets zeggen over: de 150 dagen dat er niets gebeurde: Noach dobberde rond, het was opgehouden met regenen, maar wat nu: stijgt het water nog of daalt het? De 150 dagen dat er niets gebeurde.

En ik wil iets zeggen over de duif die Noach liet uitvliegen en ze kwam terug, uitgeput, en Noach ving haar op, maar de dag daarop keerde de duif niet terug. De duif bleef uit.

En ten slotte aan het eind van de preek, ga ik in op de regenboog, die een teken is, maar pas op: een heel lastig teken. Dat straks.

Zox92n geleding structureert niet alleen de tekst die de predikant op papier heeft, maar ook het gehoor. Dat is belangrijk want predikant en hoorders samen maken (of breken) de preek.

Een belangrijk voordeel van een dergelijke drieslag is dat er meer ruimte in zit dan in een aaneensluitend betoog. De hoorder kan eruit wegdwalen en er even gemakkelijk weer in komen. Er zijn verse nieuwe aanzetten. De moves staan niet in een geconstrueerd verband (dat ook nog eens begrepen moet worden) maar liggen voor het oprapen.

Het is verstandig om een preek van dit genre niet uit drie even omvangrijke delen op te bouwen. Het eerste deel mag het grootst zijn, het laatste moet kort en puntig gezegd. Bijvoorbeeld:

Tenslotte loopt de ark vast en komt het allemaal weer op zijn pootjes terecht. God belooft: Zox92n vloed, nooit weer! En ten teken: de regenboog. Prompt gaat het weer regenen! Want dat God de aarde zal behoeden en bewaren, is niet alleen maar een geruststellende belofte. Was net de wereld door stortregens, wolkbreuk en noodweer vergaan, begint het weer te regenen! Want zo is het wel, een regenboog verschijnt pas bij zon en regen tegelijkertijd.

In de hoosbui die Noach deze keer over zich heen krijgt, tekent zich dus nu die regenboog af. Noach trekt zx92n laarzen aan en zet zijn paraplu op en gelooft dat God zich aan zijn belofte houdt. Je zult niet verdrinken, maar je wordt wel nat. En de regenboog staat aan de hemel. De wereld blijft behouden onder de schijn van het tegendeel, zo spannend is het wel, in de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

Tijdschrift voor Verkondiging

 

23 July 2011
By on 11:11
Preek 10 juli – Mattexfcs 13

De gelijkenis van de zaaier bergt een groot gevaar in zich. Namelijk dat je jezelf er helemaal in vast redeneert. Zo ben je en zo blijf je: een grondsoort, een bodemgesteldheid. Je zakt er tot over je oren in.

Want dat is kennelijk een gegeven. Er zijn in deze gelijkenis vier bodemgesteldheden: de weg waar het zaad wordt vertrapt en door de vogels opgegeten; de rotsachtige bodem waar het verdort; de ruige hoek waar de distels zijn die het goede zaad verstikken; en de vruchtbare aarde.

Daarmee wordt een mens psychologisch getypeerd, vastgelegd. Zox92n bodemgesteldheid, daar valt niet veel aan te veranderen. Hoe zet je rotsen om in vruchtbare aarde? Daar gaan eeuwen overheen. Er is een gebed dat bergen verzet voor nodig, een bulldozer, grondverzet, maar daar vertelt de gelijkenis niet over. Dus ben je eenmaal gedetermineerd tot bodemgesteldheid, dan zak je daar steeds dieper in weg: een moeras, drijfzand.

Toch wordt de gelijkenis veelal zo gezien: Christus zelf is de zaaier of God. Of misschien wel de pastor die zo goed zx92n best doet: de zaaier. x91Het zaad is het woord van God,x92 zegt Jezus ergens (Luc. 8,11). En de mensen zijn ontvankelijk, een vruchtbare bodem. Of ze zijn hard en oppervlakkig. Het ketst af.

Maar wat is nu de vergissing? Dit: wij in onze denkdressaten menen dat de woorden van God los verkrijgbaar zijn, dat dat de gesproken woorden zijn of desnoods neergeschreven, zwart op wit, herkenbare, op zichzelf staande woorden. Wat wij altijd weer vergeten, is dat het woord van God altijd vlees wordt, dat het scheppingswoorden zijn die licht teweegbrengen, aarde tevoorschijn roepen, een hele schepping aanrichten en mensen als zijn evenbeeld. Wij gaan steeds maar uit van woorden die wij als zodanig nog kunnen herkennen.

Maar dat eerste woord dat God sprak: x91Licht!x92, is niet een woord dat nu nog woordelijk zo weerklinkt. Nee, het is een woord geworden dat door de ramen speelt, een licht dat schijnt en wenkt en wijst.

En het woord waarmee hij de mensen uitriep, zal ik nooit verstaan. Ik kan dat woord alleen ontmoeten in iedere lieve, hinderlijke, vrolijke, zorgwekkende vriend en vreemde die de Here God op mijn levensweg brengt, soms maar xe9xe9n keer x96 die mens op mijn levensweg x96, soms blijvend. Het woord is vlees geworden. Niet pas in Jezus Christus, nee, zo is altijd al Gods manier van doen geweest.

Dus wat wordt uitgezaaid, zijn geen op zichzelf staande woorden, maar mensen. Dxede worden uitgezaaid, die leven in de verstrooiing, de diaspora. Zxedj zijn het zaad dat uitzaait over de aarde. Zij zijn het zaad waardoor God zijn wil doet ontkiemen en zijn gerechtigheid voortplant.

Het maakt nogal verschil. Dachten wij dat de mensen de voedingsbodem waren en dat het zaad op hen neervalt. Blijken de mensen zelf uitgestrooid te worden over de aarde! Gij hebt met uw brede gebaren de mensen gestrooid uit uw hand (Liedboek voor de kerken, gezang 64).

Ja, zo staat het echt in de gelijkenis, als je er niet overheen leest. Jezus zegt: x91Telkens wanneer iemand het woord van het koninkrijk hoort en het niet begrijpt, komt de boze en rooft weg wat in zijn hart is gezaaid. Dat is degene die op het pad is gezaaid.x92

Zijn die mensen de vastgestampte aarde, waar iedereen al overheen is gegaan, hard geworden, afgestompt, waar het zaad op afketst? Nee, die mensen, zij zijn het zaad, en waar zijn zij terecht gekomen? Op dat kruispunt van wegen, in druk menselijk verkeer onder de voet gelopen. God heeft hen uitgezaaid op een plek waar ze niet gedijen kunnen. De geworpenheid. Had dat niet anders gekund? Had God niet beter kunnen uitkijken? Een beetje beter mikken!?

Gij hebt met uw brede gebaren de mensen gestrooid uit uw hand. Er lag niet voor iedereen een gespreid bedje klaar, een bloembedje, een perk, een plantsoen, een hof van Eden.

Dat is niet pas xf3nze klacht: Hebt Gij de mensen uit uw hand laten vallen? Het is de klacht van Israxebl. Zij wisten van de diaspora, de verloren stammen in de verstrooiing, in ballingschap en ellende = uitlandigheid, verspreid over de aarde en nooit meer terug gezien.

En Jezus gaat verder: Die op de rotsgrond is gezaaid, dat is degene die het woord hoort en meteen met vreugde aanneemt. Hij is niet echt geworteld, hij is iemand van het ogenblik; als er dan onderdrukking of vervolging ontstaat vanwege het woord, komt hij meteen ten val.

Die mensen zijn zo hard niet, zxedj zijn niet rotsachtig en ondoordringbaar, het massieve x91neex92. Nee, waar ze terecht zijn gekomen, alweer: dxe1xe1r kunnen ze niet gedijen, ze schieten geen wortel, ze vinden geen grond onder de voeten, geen basis, ze wortelen niet.

Ze krijgen de kans niet zich te hechten: de vele ontwortelden, op de vlucht voor oorlog, honger, armoede, onrecht. Of dichter bij huis: opgegroeid in een pleeggezin, en weer een ander pleeggezin, en een tehuis, en nog weer ergens anders.

Uit Gods hand gevallen? Gij hebt met uw brede gebaren de mensen gestrooid uit uw hand. Tot hoelang, Heer, zult gij ons vergeten? Dat is hoe de psalmen klagen.

En Jezus gaat door: Die tussen de distels is gezaaid, dat is degene die het woord hoort; maar de zorgen om het bestaan en de begoocheling van de rijkdom verstikken het woord, en hij blijft zonder vrucht.

Die luxe en weelde, daar zijn ze ook maar in gevallen, met hun neus in de boter. Alles hebben is ook niks. Tel uit je winst. Ook zij hebben zichzelf niet gemaakt.

Nee, een mens is geen bodemgesteldheid, een uitgestrekte woestenij. De mens is geen onkruidveld, waaruit alleen maar afval voortkomt, dus de onkruidverdelger erover heen, wegspuiten, bij elkaar harken en in het vuur ermee.

Nee, de mens is het zaad in Gods hand en uit Gods hand gestrooid, verstrooid.

Die in goede aarde is gezaaid, dat is degene die het woord hoort en begrijpt en die draagt dan vrucht: de een honderdvoudig, de ander zestigvoudig, weer een ander dertigvoudig.

De mensen zijn het zaad in Gods hand en hij zal hen oogsten. Ondertussen gaat alle aandacht wel uit naar die volle aren, honderdvoudig vrucht dragen! Maar dan weet u nog niet hoe de Here God oogst! Op zijn kniexebn!

Dat gaat korrel voor korrel! Met zijn grote vingers tast hij tussen stof en as om al dat kostbare graan te vinden, terug te vinden. Hij zoekt. Hij eist het op! Hier! Afblijven jij! Dat is van mij!

En dat zaad, dat wordt geoogst, verzameld in zakken, de rijke oogst van de Heer, op een kar geladen, naar de molen gebracht, het wordt gemalen en gereinigd. De bakker kneedt het en vormt het, het moet rijzen, het wordt gebakken, het komt uit de oven, het geurt: vers voedzaam brood dat de honger stilt!

En dan zal niemand meer vragen: welk meelpulvertje heb jij nu precies aangedragen? Waar zitten nu exact de voedingsstoffen die van jou zijn uitgegaan? Je maakt deel uit van dat ene brood.

Een van de allereerste tafelgebeden van de lieve christenheid luidt: Zoals dit brood dat wij breken verstrooid was over de bergen en werd samengebracht en xe9xe9n is geworden, breng zo uw gemeente bijeen in Uw Rijk van de einden der aarde! Want U is de heerlijkheid en de kracht door Jezus Messias in alle eeuwen der eeuwen! Amen.

Tijdschrift voor Verkondiging


By on 11:09
Preek 10 juli – Matteüs 13

De gelijkenis van de zaaier bergt een groot gevaar in zich. Namelijk dat je jezelf er helemaal in vast redeneert. Zo ben je en zo blijf je: een grondsoort, een bodemgesteldheid. Je zakt er tot over je oren in.

Want dat is kennelijk een gegeven. Er zijn in deze gelijkenis vier bodemgesteldheden: de weg waar het zaad wordt vertrapt en door de vogels opgegeten; de rotsachtige bodem waar het verdort; de ruige hoek waar de distels zijn die het goede zaad verstikken; en de vruchtbare aarde.

Daarmee wordt een mens psychologisch getypeerd, vastgelegd. Zo’n bodemgesteldheid, daar valt niet veel aan te veranderen. Hoe zet je rotsen om in vruchtbare aarde? Daar gaan eeuwen overheen. Er is een gebed dat bergen verzet voor nodig, een bulldozer, grondverzet, maar daar vertelt de gelijkenis niet over. Dus ben je eenmaal gedetermineerd tot bodemgesteldheid, dan zak je daar steeds dieper in weg: een moeras, drijfzand.

Toch wordt de gelijkenis veelal zo gezien: Christus zelf is de zaaier of God. Of misschien wel de pastor die zo goed z’n best doet: de zaaier. ‘Het zaad is het woord van God,’ zegt Jezus ergens (Luc. 8,11). En de mensen zijn ontvankelijk, een vruchtbare bodem. Of ze zijn hard en oppervlakkig. Het ketst af.

Maar wat is nu de vergissing? Dit: wij in onze denkdressaten menen dat de woorden van God los verkrijgbaar zijn, dat dat de gesproken woorden zijn of desnoods neergeschreven, zwart op wit, herkenbare, op zichzelf staande woorden. Wat wij altijd weer vergeten, is dat het woord van God altijd vlees wordt, dat het scheppingswoorden zijn die licht teweegbrengen, aarde tevoorschijn roepen, een hele schepping aanrichten en mensen als zijn evenbeeld. Wij gaan steeds maar uit van woorden die wij als zodanig nog kunnen herkennen.

Maar dat eerste woord dat God sprak: ‘Licht!’, is niet een woord dat nu nog woordelijk zo weerklinkt. Nee, het is een woord geworden dat door de ramen speelt, een licht dat schijnt en wenkt en wijst.

En het woord waarmee hij de mensen uitriep, zal ik nooit verstaan. Ik kan dat woord alleen ontmoeten in iedere lieve, hinderlijke, vrolijke, zorgwekkende vriend en vreemde die de Here God op mijn levensweg brengt, soms maar één keer – die mens op mijn levensweg –, soms blijvend. Het woord is vlees geworden. Niet pas in Jezus Christus, nee, zo is altijd al Gods manier van doen geweest.

Dus wat wordt uitgezaaid, zijn geen op zichzelf staande woorden, maar mensen. Díe worden uitgezaaid, die leven in de verstrooiing, de diaspora. Zíj zijn het zaad dat uitzaait over de aarde. Zij zijn het zaad waardoor God zijn wil doet ontkiemen en zijn gerechtigheid voortplant.

Het maakt nogal verschil. Dachten wij dat de mensen de voedingsbodem waren en dat het zaad op hen neervalt. Blijken de mensen zelf uitgestrooid te worden over de aarde! Gij hebt met uw brede gebaren de mensen gestrooid uit uw hand (Liedboek voor de kerken, gezang 64).

Ja, zo staat het echt in de gelijkenis, als je er niet overheen leest. Jezus zegt: ‘Telkens wanneer iemand het woord van het koninkrijk hoort en het niet begrijpt, komt de boze en rooft weg wat in zijn hart is gezaaid. Dat is degene die op het pad is gezaaid.’

Zijn die mensen de vastgestampte aarde, waar iedereen al overheen is gegaan, hard geworden, afgestompt, waar het zaad op afketst? Nee, die mensen, zij zijn het zaad, en waar zijn zij terecht gekomen? Op dat kruispunt van wegen, in druk menselijk verkeer onder de voet gelopen. God heeft hen uitgezaaid op een plek waar ze niet gedijen kunnen. De geworpenheid. Had dat niet anders gekund? Had God niet beter kunnen uitkijken? Een beetje beter mikken!?

Gij hebt met uw brede gebaren de mensen gestrooid uit uw hand. Er lag niet voor iedereen een gespreid bedje klaar, een bloembedje, een perk, een plantsoen, een hof van Eden.

Dat is niet pas ónze klacht: Hebt Gij de mensen uit uw hand laten vallen? Het is de klacht van Israël. Zij wisten van de diaspora, de verloren stammen in de verstrooiing, in ballingschap en ellende = uitlandigheid, verspreid over de aarde en nooit meer terug gezien.

En Jezus gaat verder: Die op de rotsgrond is gezaaid, dat is degene die het woord hoort en meteen met vreugde aanneemt. Hij is niet echt geworteld, hij is iemand van het ogenblik; als er dan onderdrukking of vervolging ontstaat vanwege het woord, komt hij meteen ten val.

Die mensen zijn zo hard niet, zíj zijn niet rotsachtig en ondoordringbaar, het massieve ‘nee’. Nee, waar ze terecht zijn gekomen, alweer: dáár kunnen ze niet gedijen, ze schieten geen wortel, ze vinden geen grond onder de voeten, geen basis, ze wortelen niet.

Ze krijgen de kans niet zich te hechten: de vele ontwortelden, op de vlucht voor oorlog, honger, armoede, onrecht. Of dichter bij huis: opgegroeid in een pleeggezin, en weer een ander pleeggezin, en een tehuis, en nog weer ergens anders.

Uit Gods hand gevallen? Gij hebt met uw brede gebaren de mensen gestrooid uit uw hand. Tot hoelang, Heer, zult gij ons vergeten? Dat is hoe de psalmen klagen.

En Jezus gaat door: Die tussen de distels is gezaaid, dat is degene die het woord hoort; maar de zorgen om het bestaan en de begoocheling van de rijkdom verstikken het woord, en hij blijft zonder vrucht.

Die luxe en weelde, daar zijn ze ook maar in gevallen, met hun neus in de boter. Alles hebben is ook niks. Tel uit je winst. Ook zij hebben zichzelf niet gemaakt.

Nee, een mens is geen bodemgesteldheid, een uitgestrekte woestenij. De mens is geen onkruidveld, waaruit alleen maar afval voortkomt, dus de onkruidverdelger erover heen, wegspuiten, bij elkaar harken en in het vuur ermee.

Nee, de mens is het zaad in Gods hand en uit Gods hand gestrooid, verstrooid.

Die in goede aarde is gezaaid, dat is degene die het woord hoort en begrijpt en die draagt dan vrucht: de een honderdvoudig, de ander zestigvoudig, weer een ander dertigvoudig.

De mensen zijn het zaad in Gods hand en hij zal hen oogsten. Ondertussen gaat alle aandacht wel uit naar die volle aren, honderdvoudig vrucht dragen! Maar dan weet u nog niet hoe de Here God oogst! Op zijn knieën!

Dat gaat korrel voor korrel! Met zijn grote vingers tast hij tussen stof en as om al dat kostbare graan te vinden, terug te vinden. Hij zoekt. Hij eist het op! Hier! Afblijven jij! Dat is van mij!

En dat zaad, dat wordt geoogst, verzameld in zakken, de rijke oogst van de Heer, op een kar geladen, naar de molen gebracht, het wordt gemalen en gereinigd. De bakker kneedt het en vormt het, het moet rijzen, het wordt gebakken, het komt uit de oven, het geurt: vers voedzaam brood dat de honger stilt!

En dan zal niemand meer vragen: welk meelpulvertje heb jij nu precies aangedragen? Waar zitten nu exact de voedingsstoffen die van jou zijn uitgegaan? Je maakt deel uit van dat ene brood.

Een van de allereerste tafelgebeden van de lieve christenheid luidt: Zoals dit brood dat wij breken verstrooid was over de bergen en werd samengebracht en één is geworden, breng zo uw gemeente bijeen in Uw Rijk van de einden der aarde! Want U is de heerlijkheid en de kracht door Jezus Messias in alle eeuwen der eeuwen! Amen.

Tijdschrift voor Verkondiging


By on 11:09

Sprongvariant

Een jaar geleden verscheen de vijfde bundel van K. Michel: Bij eb is je eiland groter. Als pars pro toto bespreek ik zijn beide dolfijnengedichten. Het eerste is getiteld x91Toespraak tot het plafondx92 en luidt als volgt: x91ooit was de dolfijn een landdier / het wandelde rond en haalde adem / onder druk van de weersomstandigheden / werd de dolfijn in luttele millennia / richting het water gedreven / de eens volgroeide poten werden korter / en korter tot ze nagenoeg verdwenen / wat de dolfijn aan het bestaan / op het droge overhield waren de longen / evolutionair gezien is dat raar want / wat moet je daarmee onderwater / vermoedelijk gaat het om een nut / dat gunstig is zij het indirect / – denk bijvoorbeeld aan lichaamshaar / staartbeentjes of in breder verband / het blijven voortbestaan van dichters – / misschien is het evolutionaire voordeel wel / dat het de dolfijn in staat stelt van tijd / tot tijd aan de oppervlakte te komen / boven het water uit te springen / en een blik te werpen op de blauwe / of sterren- of wolkenlucht / en de kustx92.

Nee, plafond is geen anagram van dolfijn, maar het scheelt niet veel. In Michels x91Toespraak tot het plafondx92 springt de dolfijn hoog boven het water uit. Het is een metafysisch gedicht over enerzijds het huidige bestaan onder water x96 de dolfijn is in zijn element x96 en anderzijds een oorspronkelijk bestaan boven het wateroppervlak: x91ooit was de dolfijn een landdierx92.

Het plafond van de titel is in het gedicht die waterspiegel. Met wat de dolfijn van zijn herkomst heeft bewaard, is het hem mogelijk x91van tijd / tot tijd aan de oppervlakte te komenx92. Zijn evolutionaire bagage stelt de dolfijn zelfs in staat de hem door de natuur gestelde grens te doorbreken, x91boven het water uit te springen / en een blik te werpen op de blauwe / of sterren- of wolkenlucht / en de kustx92.

Die drievuldigheid van lucht: blauw, sterren, wolken, is weer een nieuw plafond. Bedenk daarbij dat de dolfijn een sterrenbeeld is aan de noordelijke hemel (Delphinus).

Met een blik op de kust als het land van herkomst, wordt de eerste regel van het gedicht bevestigd (inclusie van land en kust).

Schrijven is wedden op de goede verstaander. Voor wat Victor Schiferli aangaat, heeft Michel die weddenschap verloren. Schiferli spreidt zijn misverstand als volgt ten toon: x91Michel is een dichter die ervan houdt om de dingen op te schudden, en lanceert de theorie dat dolfijnen ooit landdieren waren (het wandelde rond en haalde adem / onder druk van de weersomstandigheden / werd de dolfijn in luttele millennia / richting het water gedreven). Een absurd, fantastisch idee dat wordt ondergraven door de titel x91Toespraak tot het plafondx92 x96 hier ligt iemand in zijn eentje wat voor zich uit te pratenx92 (www.victorschiferli.nl).

Schiferli leest er twee keer naast. Dolfijnen stammen wel degelijk af van landzoogdieren, namelijk van de evenhoevigen die in het eoceen (vijftig miljoen jaar geleden) te water gingen. En Michels toespraak tot het plafond is van een grotere gelaagdheid dan dat iemand zomaar wat voor zich uit ligt te praten. Dit is niet een absurde toespraak ins Blaue hinein, maar een vertoog gericht tot het plafond, de bovengrens en daar doorheen, zoals de dolfijn onder water de wateroppervlakte boven zich heeft en daarboven weer de lucht.

Aan de vaste wal heeft de dolfijn een evolutionair voordeel overgehouden x91dat gunstig is zij het indirectx92: het ademhalingsorgaan van de landdieren. Onder water hebben longen geen nut, maar ze bewegen hem ertoe boven de zee uit te springen en aan gene zijde van het water een volgend plafond te ontdekken en de kust.

Als aandrift tot die sprong is het evolutionair voordeel van longen vergelijkbaar met x91het blijven voortbestaan van dichtersx92. x91The continued survival of poetsx92, vertaalt Paul Vincent (Poetry International). Ook van hen kun je je afvragen wat je met ze moet, en misschien is ook hun nut gunstig zij het indirect. Zij maken het mogelijk dat nu niet dolfijnen maar mensen een sprong maken en een blik werpen op wat boven hen uitgaat en waar zij vandaan komen.

x91Toespraak tot het plafondx92 is het tweede gedicht in de bundel Bij eb is je eiland groter. Verderop in deze bundel noemt Michel de connectie beneden en boven x91Ademgatenx92, de titel van een cyclus van zes gedichten over de bioloog-dichter Dick Hillenius (1927-1987), waarvan het laatste x96 dat andere dolfijnengedicht x96 luidt: x91Hillenius staat voor de glazen wand / van een bassin, neonverlicht, / bijna mediterraan blauw. / Terwijl hij tegen de camera spreekt / beweegt de waterlijn boven zijn hoofd. / Soepel gebarende handen. / Af en toe duikt een dolfijn achter hem op / die even over zijn schouder / naar ons kijkt en dan wegzwenkt. / Hij fantaseert over de wateraap / als voorouder en houdt een pleidooi / voor variatie, hoe groter hoe beter, / zodat eenieder zijn nis kan vinden. / Gaandeweg lijkt het alsof zijn woorden / door de dolfijnen worden ingefluisterd. / Zijn pretoogjes spreken boekdelen. / Tot slot springt hij in het bassin / geheel gekleed maar blootsvoets.x92

Van Tijs Goldschmidt, schrijver van ondermeer Darwins Hofvijver, Oversprongen en Kloten van de engel, weten we waar die x91ademgatenx92 voor staan. Hij stelde een bloemlezing van Hilleniusx92 oeuvre samen onder dezelfde titel: Ademgaten (2009), ontleend aan Hilleniusx92 uitspraak: x91Een van de belangrijkste functies van kunst vind ik het verstoren en doorbreken van de hixebrarchie x96 het maken van ademgaten x96 zodat, ook al zit je ergens in een onderlaag, je jezelf via de kunst kunt bevrijden.x92

Met zijn toespraak laat Michel zich kennen als een blinde darm, lichaamshaar, het staartbeentje, kortom: als een dichter. De evolutie heeft hem toegerust met het inadequaat vermogen zich niet neer te leggen bij de gestelde bovengrens, maar het laatste woord te laten aan de sprong.

K. Michel, Bij eb is je eiland groter. Augustus, Amsterdam 2010, 56 blz., x80 17.90.

 

LITER 62

5 July 2011
By on 11:50
Met Luther een kruisje slaan

Het gewone woord voor x91zegenenx92 is in het Latijn benedicere, dat we misschien kennen van x91gebenedijdx92. Of anders wel van het tegendeel: dat vermaledijde ding! Maar in het kerklatijn is er een woord bijgekomen: signare. Dat is: iets in een bepaald teken (signum) stellen. In welk teken? In het teken van het kruis.

Het woord signare is vervolgens verbasterd tot segnen in het Duits en x91zegenenx92 in het Nederland. Die zegen ontvang je inderdaad niet alleen met woorden maar ook met een teken. Aan het eind van de dienst, bij de zegen, tekent de predikant een kruis over de gemeente. Of je doet het zelf: je slaat een kruisje. x91Zegenx92 is onlosmakelijk met dat x91tekenx92 (signum) verbonden.

Dat behoort inderdaad tot de protestantse identiteit. Het is zelfs vastgelegd in de belijdenisgeschriften van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), namelijk in de Grote Catechismus (1529). In zijn bespreking van het tweede gebod: x91Gij zult de naam van de Heer, uw God, niet misbruikenx92, gaat Maarten Luther na het x91ijdel gebruikx92 ook in op het goede gebruik van Gods naam. Hij gaat er daarbij vanuit x91dat men zich er aan went dagelijks aan God ziel en lichaam te bevelen, ook vrouw, kind en personeel en wat wij hebben tegenover alle mogelijke noden. Daarom zijn de gebeden vxf3xf3r en na tafel en andere gebeden x92s avonds en x92s morgens ontstaan en gebleven; ook de oefening der kinderen om zich met het kruisteken te zegenen, als men iets verschrikkelijks of afschuwelijks ziet of hoort, en zegt: x91Here God, bewaar mijx92, x91Help, lieve Heer Christusx92, of iets dergelijks.x92

Wat opvalt in dit fragment is de vanzelfsprekendheid waarmee Luther dat x91kruisje slaanx92 voegt bij de dagelijkse gebeden en schietgebedjes. Hij vindt dat kinderen al vroeg moeten leren zich te bekruisen. Deze gebedspraktijk is, zo schrijft hij, x91geblevenx92. Hij bedoelt daarmee: gebleven ook na de Reformatie. Het behoort tot het normale christelijke leven.

Niet alleen in de belijdenisgeschriften van de PKN wordt dat x91kruisje slaanx92 gevonden, ook in het PKN-Dienstboek wordt vele malen een kruisteken gemaakt. Bijvoorbeeld op Aswoensdag, als je een askruisje komt halen. Of bij de zalving van het voorhoofd en handpalmen van een zieke. Of bij de uitvaart, als het lichaam van de overledene ten slotte gezegend wordt met doopwater. Steeds dat kruisteken. Het herinnert ons aan de genade van de doop: dat wij de heilige doop ontvingen x91in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geestx92.

En om terug te keren tot de Grote Catechismus en de nadruk die daarin wordt gelegd op ons persoonlijk gebed: het PKN-Dienstboek draagt een eenvoudige orde aan waarmee je je eigen gebeden x92s morgens, x92s middags en x92s avonds vorm kunt geven. Daarin staat op bepaalde momenten een + aangegeven: x91Hier kan men x91een kruis slaanx92, ten teken ervan dat men zijn leven onder de orde van het kruis stelt.x92

In onze tijd waarin wij nog maar op weinig vormen terug kunnen vallen, is dat een zinvol gebruik. Het geloof is niet iets dat x91tussen de oren zitx92, maar moet ook lichamelijk verankerd worden. Diepe betekenissen alleen dragen niet bij tot ervaring. Daartoe behoeven wij zichtbare tekenen. Met andere woorden: het lijf doet ook mee.

Ineen

 

2 July 2011
By on 18:55
Preek Jeremia 29,1.4-14 en Mattexfcs 10,37-42

Jezus zegt: x91Wie meer houdt van zijn vader of moeder dan van Mij, is mij niet waard.x92 Zo ook: x91Wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van Mij, is mij niet waard.x92

Ik versta dat x96 met het oog op onze geslaagde acties om deze mooie kerk te behouden x96 zo: De zonde van christenmensen is dat zij meer houden van hun christendom dan van Christus. De zonde van het christendom is dat zij meer houden van hun kerkjes dan van het messiaanse leven.

De zonde van de kerk is haar neiging tot zelfhandhaving en zelfbehoud dat zij zich als een bastion breed maakt tegen wat de tijd haar brengt en afneemt, dat zij zich als een zandkasteel opwerpt in het getij van eb en vloed.

Tegelijkertijd zegt de profeetlezing van deze zondag: x91U moet huizen bouwen en daarin gaan wonen, tuinen aanleggen en er de opbrengst van eten; u moet trouwen en kinderen krijgen, vrouwen kiezen voor uw zonen en uw dochters uithuwelijken, die op hun beurt weer kinderen krijgen. Zorg dat u daar groter wordt in aantal, niet kleiner.x92

Dus wxe9l bouwen. De eerste synagogen zijn in de diaspora ontstaan. En wxe9l die gerichtheid op zonen en dochters, kinderen en kleinkinderen. Groei!

Maar x96 en daar draait het om x96 Jezus zegt: x91Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden.x92

Van Sint Franciscus wordt verteld dat hij in zijn jonge jaren in een oorlog tussen die Italiaanse stadsstaatjes Assisi en Perugia, gevangen was genomen en pas na een paar jaar, ziek en verzwakt, met het losgeld van zijn vader vrijkwam.

Hij kon zijn draai niet meer vinden, hij was de richting van zijn leven kwijt. Waar zou hij zijn bestemming in vinden? Dan toch maar zx92n vader opvolgen in de lakenhandel? Op een dag liep Franciscus langs de kerk van Sint-Damianus en ging er binnen om te bidden voor het kruis dat daar hing, een houten kruisbeeld met daarop een geschilderde afbeelding van Jezus. Terwijl hij in gebed was sprak het kruisbeeld hem welwillend toe: x91Franciscus, ga en herstel mijn huis.x92 Franciscus vatte dit letterlijk op. Vol ijver zette hij zich in voor de schoonmaak en de restauratie van het kerkje. De bredere betekenis van die woorden ontging hem op dat moment nog.

Om aan de benodigde middelen te komen verkocht hij heimelijk balen stof en gereedschap van zijn vader. Dat bleef natuurlijk niet onopgemerkt. Zijn vader Pietro Bernardone werd de levenswijze van zijn zoon zo zat, dat hij besloot hem in het openbaar te berispen en tot de orde te roepen. Franciscus en plein public liet het gelaten over zich heen komen en deed afstand van zijn erfdeel, verbrak de lijn met de lakenhandel en zette de verhouding tot zijn vader op scherp, door zich tot grote consternatie van alle aanwezigen publiekelijk van zijn kleding te ontdoen. Van al zijn kleding. Dat was immers alles van zijn vader: zijn kleding, zijn vrijheid (met dat losgeld), zijn toekomstperspectief.

Daar stond de poedelnaakte Franciscus, bisschop Guido van Assisi bedekte hem snel met zijn mantel en Franciscus wist dus wat hem voortaan te doen stond: in eenvoud en armoede leven en gehoor geven aan de stem: x91Franciscus, ga en herstel mijn huis.x92 

Hij begreep niet beter of het ging om dat kerkje zelf, dat van ouderdom en verval in elkaar dreigde te storten. Hij wijdde zich aan hout en steen en metselwerk. Pas al doende werd hem duidelijk dat hij was geroepen tot herstel van de kerk in bredere zin. Zijn eigenlijke roeping verstond hij pas na zijn ontmoeting met de melaatsen.

De legende vertelt hoe de bouwval symbool staat voor het geheel van de kerk. Hoe het materixeble: schoonmaken, onkruid verwijderen, losgeraakte stenen voegen, het dak repareren, houtwerk herstellen, samenvalt met het spirituele: gebed, terugkeren tot de kern, de eenvoud zoeken, het leven delen met Gods verschoppelingen op aarde, de kerk terugbrengen naar waar zij om begonnen is.

De restauratie van een kerkgebouw is geen doel op zich, is niet een object dat je veiligstelt om geriefelijk en comfortabel voort te leven. Nee, dit is een Godshuis waar je liefde aan besteedt en toewijding. Het is niet een klusje dat je erbij doet. Nee, het gebouw is een baken op jouw levensweg en het belang ervan laat zich ook weer relativeren in de ontmoeting met de melaatsen, maar het laat zich niet wxe9grelativeren.

Je kunt niet alleen het spirituele kiezen lxf3s van de concrete toewijding aan een huis, een plek, een geloofsgemeenschap. In de kerk heet dat de stabilitas loci: dat je geroepen bent om te blijven op de plek waar de Heer jou heeft gesteld.

Spiritualiteit zonder blaren is als de ster zonder Betlehem. Spiritualiteit zonder frustratie en strijd is luchtfietserij. Franciscus werd geroepen: x91Franciscus, ga en herstel mijn huisx92 en wat dat betekende werd hij slechts al doende gewaar, want: x91Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden.x92

De kerk die machtsposities bekleedt, zal zich van haar macht en invloed en rijkdom en weelde moeten bekeren. Ja, inderdaad zal moeten verliezen al wat zij heeft om weer kerk te worden daar waar de mensen werkelijk leven.

Maar een kerk in de marge van de samenleving, noodlijdend, in verwarring over wat haar te doen staat, zoekend en biddend, ja, daar zijn nog wel herstelwerkzaamheden aan te verrichten in gehoorzaamheid aan Christus die belooft: x91Wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden.x92

Dat de profeet de ballingen opriep om huizen te bouwen, was immers ook niet uit op trots en zelfverheffing, maar om berooide en ontwortelde mensen moed in te spreken, en om hen van de harde werkelijkheid te overtuigen: het kan nog wel even duren, hier in Babylon, dit marginaal bestaan, dat je vreemdelingen bent en voorbijgangers, een randverschijnsel in deze stad.

Daarom zijn oproep: bouw huizen, leg tuinen aan, krijg kinderen, kortom: verbindt je met deze stad, dit Babylon, want in haar welzijn ligt ook jouw welzijn.

Kortom, Jezus zegt: x91Wie meer houdt van zijn vader of moeder dan van Mij, is mij niet waard. Wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van Mij, is mij niet waardx92 en wij gaven het weer als: x91Wie meer houdt van zijn kerkje dan van het Messiaanse leven, is hem niet waard.x92

Dat stelt ernstige en klemmende vragen aan: waar ons hart ligt, waar onze liefde naar uitgaat.

Onze eigenliefde wordt ontmaskerd: De banden van het bloed? Eigenliefde. Onze concrete dadendrang en pragmatisme? Eigenliefde. Onze spirituele zuiverheid? Eigenliefde. De traditie waar wij prat op gaan? Eigenliefde.

De slotsom is: het is waar: wij zijn hem niet waard. Ik ben niet waardig dat gij tot mij komt, maar spreek en ik zal gezond worden. Of wij hem waardig zijn, dat te bepalen is niet aan ons maar aan hem, want ook dat denken in termen van waardig zijn, is weer hoogmoed.

Luther zei over onze waardigheid en hoe wij tot Christus komen en ook over hoe wij straks deelnemen aan het avondmaal: x91Nou, nou, laat mijn waardigheid maar thuis!x92 x96 omwille van hem aan wie is de heerlijkheid en de macht is alle eeuwigheid.

 

Evangelisch-Lutherse Gemeente Arnhem

28 June 2011
By on 13:25
Preek Jeremia 29,1.4-14 en Matteüs 10,37-42

Jezus zegt: ‘Wie meer houdt van zijn vader of moeder dan van Mij, is mij niet waard.’ Zo ook: ‘Wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van Mij, is mij niet waard.’

Ik versta dat – met het oog op onze geslaagde acties om deze mooie kerk te behouden – zo: De zonde van christenmensen is dat zij meer houden van hun christendom dan van Christus. De zonde van het christendom is dat zij meer houden van hun kerkjes dan van het messiaanse leven.

De zonde van de kerk is haar neiging tot zelfhandhaving en zelfbehoud dat zij zich als een bastion breed maakt tegen wat de tijd haar brengt en afneemt, dat zij zich als een zandkasteel opwerpt in het getij van eb en vloed.

Tegelijkertijd zegt de profeetlezing van deze zondag: ‘U moet huizen bouwen en daarin gaan wonen, tuinen aanleggen en er de opbrengst van eten; u moet trouwen en kinderen krijgen, vrouwen kiezen voor uw zonen en uw dochters uithuwelijken, die op hun beurt weer kinderen krijgen. Zorg dat u daar groter wordt in aantal, niet kleiner.’

Dus wél bouwen. De eerste synagogen zijn in de diaspora ontstaan. En wél die gerichtheid op zonen en dochters, kinderen en kleinkinderen. Groei!

Maar – en daar draait het om – Jezus zegt: ‘Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden.’

Van Sint Franciscus wordt verteld dat hij in zijn jonge jaren in een oorlog tussen die Italiaanse stadsstaatjes Assisi en Perugia, gevangen was genomen en pas na een paar jaar, ziek en verzwakt, met het losgeld van zijn vader vrijkwam.

Hij kon zijn draai niet meer vinden, hij was de richting van zijn leven kwijt. Waar zou hij zijn bestemming in vinden? Dan toch maar z’n vader opvolgen in de lakenhandel? Op een dag liep Franciscus langs de kerk van Sint-Damianus en ging er binnen om te bidden voor het kruis dat daar hing, een houten kruisbeeld met daarop een geschilderde afbeelding van Jezus. Terwijl hij in gebed was sprak het kruisbeeld hem welwillend toe: ‘Franciscus, ga en herstel mijn huis.’ Franciscus vatte dit letterlijk op. Vol ijver zette hij zich in voor de schoonmaak en de restauratie van het kerkje. De bredere betekenis van die woorden ontging hem op dat moment nog.

Om aan de benodigde middelen te komen verkocht hij heimelijk balen stof en gereedschap van zijn vader. Dat bleef natuurlijk niet onopgemerkt. Zijn vader Pietro Bernardone werd de levenswijze van zijn zoon zo zat, dat hij besloot hem in het openbaar te berispen en tot de orde te roepen. Franciscus en plein public liet het gelaten over zich heen komen en deed afstand van zijn erfdeel, verbrak de lijn met de lakenhandel en zette de verhouding tot zijn vader op scherp, door zich tot grote consternatie van alle aanwezigen publiekelijk van zijn kleding te ontdoen. Van al zijn kleding. Dat was immers alles van zijn vader: zijn kleding, zijn vrijheid (met dat losgeld), zijn toekomstperspectief.

Daar stond de poedelnaakte Franciscus, bisschop Guido van Assisi bedekte hem snel met zijn mantel en Franciscus wist dus wat hem voortaan te doen stond: in eenvoud en armoede leven en gehoor geven aan de stem: ‘Franciscus, ga en herstel mijn huis.’ 

Hij begreep niet beter of het ging om dat kerkje zelf, dat van ouderdom en verval in elkaar dreigde te storten. Hij wijdde zich aan hout en steen en metselwerk. Pas al doende werd hem duidelijk dat hij was geroepen tot herstel van de kerk in bredere zin. Zijn eigenlijke roeping verstond hij pas na zijn ontmoeting met de melaatsen.

De legende vertelt hoe de bouwval symbool staat voor het geheel van de kerk. Hoe het materiële: schoonmaken, onkruid verwijderen, losgeraakte stenen voegen, het dak repareren, houtwerk herstellen, samenvalt met het spirituele: gebed, terugkeren tot de kern, de eenvoud zoeken, het leven delen met Gods verschoppelingen op aarde, de kerk terugbrengen naar waar zij om begonnen is.

De restauratie van een kerkgebouw is geen doel op zich, is niet een object dat je veiligstelt om geriefelijk en comfortabel voort te leven. Nee, dit is een Godshuis waar je liefde aan besteedt en toewijding. Het is niet een klusje dat je erbij doet. Nee, het gebouw is een baken op jouw levensweg en het belang ervan laat zich ook weer relativeren in de ontmoeting met de melaatsen, maar het laat zich niet wégrelativeren.

Je kunt niet alleen het spirituele kiezen lós van de concrete toewijding aan een huis, een plek, een geloofsgemeenschap. In de kerk heet dat de stabilitas loci: dat je geroepen bent om te blijven op de plek waar de Heer jou heeft gesteld.

Spiritualiteit zonder blaren is als de ster zonder Betlehem. Spiritualiteit zonder frustratie en strijd is luchtfietserij. Franciscus werd geroepen: ‘Franciscus, ga en herstel mijn huis’ en wat dat betekende werd hij slechts al doende gewaar, want: ‘Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden.’

De kerk die machtsposities bekleedt, zal zich van haar macht en invloed en rijkdom en weelde moeten bekeren. Ja, inderdaad zal moeten verliezen al wat zij heeft om weer kerk te worden daar waar de mensen werkelijk leven.

Maar een kerk in de marge van de samenleving, noodlijdend, in verwarring over wat haar te doen staat, zoekend en biddend, ja, daar zijn nog wel herstelwerkzaamheden aan te verrichten in gehoorzaamheid aan Christus die belooft: ‘Wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden.’

Dat de profeet de ballingen opriep om huizen te bouwen, was immers ook niet uit op trots en zelfverheffing, maar om berooide en ontwortelde mensen moed in te spreken, en om hen van de harde werkelijkheid te overtuigen: het kan nog wel even duren, hier in Babylon, dit marginaal bestaan, dat je vreemdelingen bent en voorbijgangers, een randverschijnsel in deze stad.

Daarom zijn oproep: bouw huizen, leg tuinen aan, krijg kinderen, kortom: verbindt je met deze stad, dit Babylon, want in haar welzijn ligt ook jouw welzijn.

Kortom, Jezus zegt: ‘Wie meer houdt van zijn vader of moeder dan van Mij, is mij niet waard. Wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van Mij, is mij niet waard’ en wij gaven het weer als: ‘Wie meer houdt van zijn kerkje dan van het Messiaanse leven, is hem niet waard.’

Dat stelt ernstige en klemmende vragen aan: waar ons hart ligt, waar onze liefde naar uitgaat.

Onze eigenliefde wordt ontmaskerd: De banden van het bloed? Eigenliefde. Onze concrete dadendrang en pragmatisme? Eigenliefde. Onze spirituele zuiverheid? Eigenliefde. De traditie waar wij prat op gaan? Eigenliefde.

De slotsom is: het is waar: wij zijn hem niet waard. Ik ben niet waardig dat gij tot mij komt, maar spreek en ik zal gezond worden. Of wij hem waardig zijn, dat te bepalen is niet aan ons maar aan hem, want ook dat denken in termen van waardig zijn, is weer hoogmoed.

Luther zei over onze waardigheid en hoe wij tot Christus komen en ook over hoe wij straks deelnemen aan het avondmaal: ‘Nou, nou, laat mijn waardigheid maar thuis!’ – omwille van hem aan wie is de heerlijkheid en de macht is alle eeuwigheid.

 

Evangelisch-Lutherse Gemeente Arnhem


By on 13:25
Trinitatis – Genesis 18

Het geloof dat ons op de lippen is gelegd, spreekt van onze Vader die ons heeft geschapen en ons en deze wereld in stand houdt. En van Jezus Christus die onze Heer is, de degene die het over ons voor het zeggen heeft, die onze broeder is geworden. En van de heilige Geest die in ons woont als onze levensadem die in en uitgaat, die wij in en uitademen.

Vader, Zoon en heilige Geest, en altijd als een christenmens van God spreekt, dan bedoelt hij niet alleen de Vader, maar ook de Zoon en ook de heilige Geest, die je altijd samen moet denken en samen moet aanbidden, want zo heeft God zich aan ons te kennen gegeven: als een verhouding, niet van xe9xe9n op xe9xe9n, maar als een gemeenschap die openstaat, die mensen nodigt om in gemeenschap met God te leven.

Als een christenmens spreekt van God, dan bedoelt hij dat ons een driehoeksrelatie te geloven is gegeven, een netwerk, een harmonie van betrekkingen en verhoudingen, waarin de Vader de Zoon genegen is en de Zoon zich wendt tot de Geest en de Geest ons het Abba, Vader, in de mond legt.

Als een christenmens spreekt van God, dan doelt hij op wat daar rondgaat, tussen de Vader, de Zoon en de Geest, hun liefde en hun glorie xe8n dat hun onderlinge relaties zich openen totdat God zal zijn: alles in allen.

Het is een ontsporing geweest om God te denken in termen van wezen en zijn. Dat zijn denkvormen van de ontotheologie en het monotonothexefsme die ons zijn opgelegd door de filosofische mogelijkheden en begrenzingen van de geschiedenis. Maar God is niet een zijnde onder de zijnden. Van God kun je ook moeilijk zeggen dat hij bestaat. Hij heeft wel wat beters te doen. x91Bestaanx92 is een volstrekt inadequaat woord. Alles vindt juist zijn bestaan in hem. Onze begrippen van x91zijnx92, x91wezenx92, x91bestaanx92, zijn geheel ontoereikend, ze werpen ons eerder op onszelf terug dan dat zij ons God doen kennen, die als onze Schepper juist nxecet met zijn schepping samenvalt, die juist niet x91isx92 maar ons van gene zijde van het zijn wenkt en wijst, lokt en leidt.

De zondag van de heilige Drievuldigheid, is niet die van een som die niet uitkomt: hoe kan xe9xe9n drie zijn, maar dit is wat Luther noemde: 'de gouden zondag Trinitatis', waarin het niet gaat om wezensgelijkheid maar om communicatie, niet om zijnden maar om relaties, niet om isgelijktekens maar om die onderlinge en openstaande genegenheid.

Als God tot ons komt, komt hij nooit alleen. Er is altijd wel een engel die roept: x91Vrees niet!x92 En soms heet die engel x91engel des Herenx92 en dan weet je het niet meer: is dit nu zijn gezant of is het de Heer zelf.

En als God van ons gxe1xe1t, zijn wij nog niet moederziel en godverlaten alleen. Er is altijd nog zijn inwoning onder de mensen, de weerklank van zijn woord, de gloed van zijn liefde in ons hart.

Dat woord x91inwoningx92 noem ik nog een keer omdat het een zo belangrijk Joodse naam is voor God die ons niet verlaat: de Sjechina, de aanwezigheid Gods.

Volgens de Talmoed x91rust de Sjechina waar een minjan bijeen isx92, dus dat minimum van tien volwassen mensen dat nodig is voor de eredienst. En volgens de Talmoed x91is de Sjechina aanwezig waar drie rechters samen zitting houden.x92 Ja, volgens de Talmoed x91verwijlt de Sjechina aan het hoofdeinde van een ziekex92 en x91begeleidt zij allen die gedwongen zijn om in ballingschap te gaanx92.

Ook in het Jodendom dat het hart van zijn belijdenis vindt in de eenheid en enigheid Gods: x91Hoor, Israel, de Heer is onze God, de Heer is xe9xe9nx92, ook in het Jodendom komt God nooit alleen, altijd wel die engel, een wolkkolom, een vuurzuil in de nacht, de Sjechina, zijn naam en zijn stem.

Die moet je niet tegen elkaar uitspelen, maar er is een veelheid in de eenheid van God. Er is een oneindige varixebteit in hoe hij zich openbaart in zijn verhoudingen, relaties, betrekkingen. Hij is niet voor xe9xe9n gat te vangen.

Altijd weer komt hij ons tegemoet in een gestalte of gedaante waarin je hem niet had verwacht. Er is geen berg te hoog of hij vindt een parachute om naast jou neer te strijken. Er is geen zee te diep of hij zet zijn snorkel op om jou te vinden. En waar je je ook verstopt in het leven, je bent, je leeft niet los van zijn aanwezigheid, Sjechina.

Voor christenen was het natuurlijk een feest van herkenning om in het boek Genesis te lezen dat God met zx92n driexebn bij Abraham op bezoek komt en even later als xe9xe9n man met Abraham sjachert om Sodom.

Deze lezing heet x91de oudtestamentische Triniteitx92 en is de eeuwen door veelvuldig afgebeeld. Maar het is een beetje stil geworden rond de oudtestamentische Triniteit. Dit Bijbelgedeelte is in geen enkel leesrooster meer op deze dag te vinden, omdat het lang als een soort bewijstekst is aangevoerd en dat is het natuurlijk niet.

Het is wel een voorbeeld van een onbekommerd spreken over God die ons in de eenheid van zijn wil en zijn heil op velerlei wijze nabij is. Die nabijheid drukt zich hier vooral uit in een maaltijd. Abraham en Sara betonen zich oud-oosterse gastgevers die hun gasten warm onthalen. Zij x96 die drie mannen x96 aten daar.

Het latere Jodendom heeft daar aanstoot aan genomen: aan dat mensvormig spreken van God, dat hij zou eten en drinken, zodat commentatoren zich haastten om uit te leggen: ze hebben niet echt daar gegeten, maar ze deden alsof.

De christelijke lezing van dit hoofdstuk daarentegen benadrukt juist dat eten en drinken. God kan niet mensvorming genoeg zijn. Zo is hij onder ons komen wonen.

De christelijke belijdenis van de Drievuldigheid Gods sluit nauw aan bij wat in het Oude Testament en in de verdere Joodse traditie over Gods toewending tot en inwoning bij de mensen wordt verteld: dat hij volkomen onvoorspelbaar komt en gaat, zich hult in allerlei vermomming, zich verkleedt als een kind dat zich uitleeft met valse baarden en snorren, brillen, pruiken. Zijn openbaring is de uitpuilende klerenkast als van een travestiet.

De christelijke belijdenis van de Drievuldigheid staat daarentegen in spanning tot die Joodse (en Islamitische stemmen) die het monothexefsme hebben verabsoluteerd en verengd tot een enkel transcendente God, die zijn stem niet meer laat horen, die zijn Sjechina al lang weer heeft opgetrokken de hemel in, omdat zij onverenigbaar zou zijn met de boosaardigheid en het geniep van de mensen.

Aan het einde van het Mattexfcsevangelie wordt Jezus iets in de mond gelegd dat in werkelijkheid natuurlijk puur uit de kerkelijke liturgie voortkomt: dat dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

Ik wil de vinger nog even leggen op twee dingen. Jezus komt naar hen toe, naar de elf leerlingen en dan staat er: x91zij vielen op de kniexebn, sommigen twijfelden.x92 Dus alle elf vielen ze op de kniexebn en alle elf werden ze uitgezonden als zijn apostelen. x91En sommigen twijfelden.x92

Dat wordt niet verholpen maar maakt deel uit van hun apostoliciteit. Heel belangrijk: het geloof en jouw weg en jouw bestemming, je roeping en je zending is heus wel tegen jouw twijfel opgewassen, die doet dus ook gewoon mee, poets die niet weg.

Het is dus heel vervelend als de Nieuwe Bijbelvertaling er een woordje tussenfrommelt en vertaalt: x91Sommigen twijfelden nogx92, alsof dat later wel overging. Nee, het ging niet over. Die innerlijke tweespalt is nu precies wat het is om een mens te zijn op aarde, waarin jij als innerlijk verdeeld mens alle reden hebt om je op de eenheid Gods te richten: dat eenmaal als een nieuwe schepping ook jij een mens uit een stuk wordt.

x91Sommigen twijfeldenx92, dat staat er. x91Sommigen twijfelden nogx92 is te braafjes. Nee heus, de twijfel blijft, vlak de twijfel niet uit.

En mijn laatste opmerking over de laatste zin van het evangelie. Jezus zegt: x91Weet wel, Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld.x92

Dat is een x91Ik benx92-woord, zoals we wel meerdere kennen als Jezus zegt: Ik ben de Goede Herder, Ik ben de Weg de Waarheid en het Leven, ik ben het Licht der wereld.

Nu: x91Ik ben met julliex92. Al dat x91Ik benx92- zeggen, die toezegging, het is met een beroep op de ene en onuitsprekelijke naam van God: x91Ik ben die ik zijn zalx92, x91Ik ben die ik was en wezen zalx92, x91Ik zal er zijn voor jou, alle dagen tot aan de voleinding van de wereld.x92

Evangelisch-Lutherse Gemeente Arnhem

21 June 2011
By on 08:47
Toren van Babel

De toren van Babel, waar de taal van de mensen in verwarring raakte, en de komst van de Geest met Pinksteren, waardoor wij elkaar eindelijk weer verstaan, is een heel overtuigend samenspel van lezingen, alsof die hoofdstukken voor elkaar geschapen zijn.

In het Hebreeuws lijkt het werkwoord verwarren (balal) op de naam Babel. Het heeft er niets mee te maken, maar poxebtisch gesproken, dus op de klank af, is het hetzelfde. Babel betekent in het Akkadisch x91poort der godenx92, maar in het Hebreeuwse verhaal wordt dat dus x91oord van verwarringx92, chaos, de plek waar de talen in de knoop raakten. Babel x96 balal.

Dezelfde grap zou je kunnen uithalen met Roermond, omdat daar zox92n grote toren staat, de zendmast van Roermond: daarom noemt men haar Roermond, omdat de Heer daar de mond van de aarde beroerd heeft.

Wat weten we van die toren? Van de toren van Babel wordt dus verteld in het boek Genesis, in de verhalen van het begin, van nog voor Abraham. Maar ieder die het verhaal hoorde wist dat het ging over Babylon, het verbanningsoord, waarheen duizenden Joden op transport gesteld waren, de toren die ze daar zagen in hun Babylonische ballingschap. Het was een van de wereldwonderen van de oudheid, de kolossale toren bij de hoofdtempel, trapvorming gebouwd, 91 meter hoog, met een basis van 91 bij 91.

Vele Babylonische koningen hadden eraan gebouwd en hem steeds hoger gemaakt tot Sanherib van Assyrixeb hem in 689 voor Christus verwoestte. Meteen zijn ze er weer aan gaan bouwen en dat hebben de Joodse ballingen dus gezien en misschien zijn ze wel gedwongen eraan mee te bouwen, met al die andere ballingen van heel andere streken en talen van de wereld. Want dat was de toenmalige politiek van etnische zuivering: je haalt de bovenlaag van een volk weg, dat volk laat je dus onthoofd achter, zonder hun prinsen en priesters, hun geleerden en smeden. Die zet je heel ergens anders neer, waar ze geen poot aan de grond krijgen en dus ook geen kwaad kunnen.

De Joodse ballingen maakten het mee, de wederopbouw van de tempeltoren, die uiteindelijk door Nebukadnessar II werd voltooid  om uiteindelijk door Xerxes in 478 weer te worden verwoest. Die Xerxes kennen we in de Bijbel onder de naam Ahasveros, dat is in het boek Esther.

De gedachte dat de Joodse ballingen eraan mee moesten bouwen, haal ik uit Exodus 5,7.14. Daar wordt precies hetzelfde woord gebruikt als in Genesis 11,3: dat tichels bakken. Het wordt verder in de bijbel niet gevonden. Ik houd het erop dat de eerbiedwaardige x96 maar historisch problematische x96 traditie van Israxebls slavernij in Egypte is gevuld met actuele herinneringen aan een vergelijkbare situatie: die van de Babylonische ballingschap.

Die hele geschiedenis van heidense hoogmoed en hemeltergende afgoderij zit dus in het verhaal van de torenbouw van Babel, oftewel x91de toren van Bla blax92, want dat is hoe hij hier vanmorgen heet, met dit kunstwerk van Arjan Moscoviter in ons midden. Het is een constellatie van een toren en een wegwijzer die twee kanten op wijst: richting Reflexxion of richting Bla bla. De weg naar het nadenken is echter leeg. De voorgevormde mens loopt in drommen op de Bla bla af. Daar binnengekomen loopt de weg niet omhoog, maar juist omlaag.

Wij hebben daar ook zo onze associaties bij. Die toren is een zendmast, een televisietoren, die zijn aantrekkingskracht uitoefent op de massamens. Ze trekken er in groten getale naartoe, gedwee, de door Bla bla gemodelleerde mens, die verwacht in de toren enige verheffing te vinden, maar in werkelijkheid storten ze met zx92n allen naar beneden. De enige weg naar boven is buitenom, langs dat kleine trappetje. Je moet erbuiten blijven.

Niet zox92n optimistisch beeld van de werkelijkheid. Er gaat hier een samenleving aan Bla bla te gronde en niemand heeft het in de gaten. Dit is natuurlijk de oude allegorie van de brede en de smalle weg. Die brede weg dat is waarop de massamens zich voortbeweegt, door Bla bla aangetrokken, Op de smalle weg van de reflectie wordt geen een gevonden. Geen een, zo vergapen we ons allemaal aan Babel.

Het is de toren van de zelfverheffing, het is de toren van de hoogmoed, die vele gestalten aan kan nemen, bijvoorbeeld deze: Je zou als God willen zijn, dus je wilt alles zijn behalve nu net de mens die je bent. Je streeft naar de hemel, maar je bent van de aarde, en juist daar kun je geen genoegen mee nemen. Je eigen leven voldoet je niet, het is te pijnlijk, het zet je telkens weer achteruit. Je eigen leven, je ervaart het als teveel ballast, dus beklaag je je lot, of je begeeft je in dagdromerij om de werkelijkheid te ontvluchten, of je zoekt een verdoving om de werkelijkheid niet onder ogen te zien. Je komt met je eigen leven niet uit, dus moet een ander er iets van maken, of de staatsloterij moet een wonder doen.

Dat bedoelen we met de zonde van x91als God willen zijnx92, de hemel bestormen of desnoods je overgeven aan Bla bla, om toch vooral maar niet te hoeven doen dat ene wat God van je vraagt. Dat je de mens wordt die hij geschapen heeft, niet de massamens, maar die ene: met deze geschiedenis waar je misschien niet zo blij mee bent, met dit lichaam, dat je al aardig in de steek laat, met deze partner, die ook al niet ideaal is, met dit struikelblok, waar je telkens opnieuw over valt. En zo kun je jezelf nog verder in het negatieve trekken en dus jezelf ontvluchten met het hoofd in de hemel.

Maar de vraag blijft: wanneer leer jij nu eens wat het is om een mens te zijn op aarde, met jouw geschiedenis als je anker, met jouw lichaam als je eigenheid, met je partner als de ander en met jouw roeping waaraan je gehoor geeft.

In de Bijbel is het verhaal van de torenbouw van Babel niet opgenomen als een verhaal van oordeel en straf. Dat lijkt het wel te zijn, op het eerste gezicht, maar er is iets anders aan de hand. Waar het om gaat is dit. Tot de mens is van den beginne aan gezegd: x91Wees vruchtbaar, wordt talrijk, vervul de aarde.

Maar juist aan dat laatste mankeert het. Er ligt een wereld voor je open, maar de mens laat zich niet in de ruimte zetten. De Babylonische mens is een eenheidsdenker, die zich in het centrum van de macht ophoudt. Daar blijft hij zijn rondjes lopen. Zijn clubjes en zijn cirkeltjes, hij is er niet uit weg te slaan. Hij maakt zich een naam. Hij vestigt zich blijvend in de status quo en verklaart zijn eigen horizon voor heilig. Die moet zo blijven, terwijl God de mens heeft toegedacht dat hij de aarde vervullen zal, doorkruisen zal, reizen, zwerven en dwalen zal, om de aarde te dienen, te bewerken, te zaaien en te oogsten, om de einder te zoeken, een perspectief. Dat is iets anders dan het hoogste punt.

Onze Schepper heeft de mens gedacht als een wereldbewoner, die zoeken zal naar wat hem vreemd is, die verder kijkt dan eigen volk eerst, die zijn roeping achterna loopt en zijn nieuwsgierigheid.

Het verhaal is erop uit dat de massamens individualiseert, dat de mens die als God wil zijn, zichzelf wordt, dat het eenheidsdenken zich eindeloos differentieert. Dat je ermee leven kunt dat het toch weer anders gaat dan je je had voorgenomen, dat het toch net anders zit dan je altijd had gedacht, dat jijzelf een ander wordt, namelijk jezelf, dus dat je uit je cocon kruipt.

Het verhaal van de toren van Babel en de Babylonische spraakverwarring is niet een verhaal dat in de min staat van straf, oordeel en gericht. Integendeel, het geeft de mens een zet, een hardhandige por, een stevige duw om het nu eindelijk eens aan te durven: de aarde ligt open, het leven wacht, de ander begroet je aan de einder, een nieuw perspectief laat zich daar zien.

En het Pinksterverhaal is dus niet de uiteindelijke nieuwtestamentische plus op de oudtestamentische min: dat het tenslotte toch allemaal weer goed komt en wij elkaar verstaan in een taal van de engelen en mensen. Nee, het verhaal onderstreept juist de veeltaligheid en de zending van de kerk die zal moeten gaan tot de uitersten der aarde. Die uitersten der aarde zijn daar op die Pinksterzondag bij elkaar, allemaal aanwezig. Alle volkeren, ze worden bij name genoemd, alle talen. Een multiculturele samenleving deed zich daar voor op die mooie Pinksterdag.

Wij weten hoe ingewikkeld dat is: multicultureel samenleven. Hij vervreemdend als je tussen alle vreemde talen op je eigen markt loopt. Hoe lastig en onmogelijk ook in de oude wijken. Maar het goede boek heeft die Pinksterdag geboekstaafd als een multicultureel feest. Het is te doen, en omdat het kan moet het. De Geest maakt het mogelijk dat wij onszelf verliezen tot ons behoud.

Om het nog eens heel anders te zeggen: de kerk is een enorme toren van Babel. En hoe moet je je die kerkelijke toren van Babel voorstellen? Als een zoutpot die tot de hemel reikt. Daar doen we veel voor, om dat allemaal in stand te houden, de kerk, de christelijke organisatie, terwijl Christus juist gezegd heeft: Gij zijt het zout der aarde.

Dat zoutend zout ben je pas, niet in je zelfhandhaving en zelfbehoud, maar juist als je wordt uitgestrooid, en je jezelf terug vindt in het leven, het werkelijke leven dat jou is toegedacht in de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

 

Evangelisch-Lutherse Gemeente Arnhem

16 June 2011
By on 11:39
Bijbelliederen

Net over de rand van de homiletiek, maar niettemin van belang: wat is de plaats van het Bijbellied?

In de aanzet tot het Liedboek voor de Kerken (1973) hebben met name Willem Barnard, Jan Wit en Muus Jacobse vele Bijbelliederen gedicht, dikwijls getoonzet door Frits Mehrtens en Willem Vogel. Sinds 1966 heeft ook Hanna Lam vier delen Alles wordt nieuw uitgebracht met in totaal ruim honderd Bijbelliederen die in het bijzonder gedicht en gedacht zijn voor kinderen en op muziek gezet door Wim ter Burg. Selecties van deze liederen vonden hun plek in ondermeer Gezangen voor Liturgie en Laus Deo. In de nieuwe protestantse liedbundel die met Advent 2012 in Nederland en Vlaanderen wordt gexefntroduceerd, zullen maar weinig Bijbelliederen een plaats krijgen. Vooral omdat er doorgaans zo onhandig mee wordt omgesprongen.

Wat is de plaats van Bijbelliederen in de liturgie? Ze worden vaak geplaatst in de buurt van de betreffende lezing of aansluitend op de preek waarin die lezing aan de orde kwam. Dat is didactisch gedacht: het lied prent in waar het in de lezing over gaat. Het lied is hetzelfde nog een keer, verdubbeling in een andere werkvorm. De liturgie staat als het ware even stil.

Maar zonder ze tegen elkaar te willen uit te spelen: vieren is iets anders dan leren. Daarom, wat is x96 liturgisch gedacht x96 de plaats van het Bijbellied? De liturgie trekt langere lijnen dan die van de didactische herhaling. De liturgie speelt namelijk met de figuur van de inclusie. In een vierende omgang met het Bijbellied, wordt het lied juist niet in de buurt van de betreffende lezing geplaatst, maar veel later. Het haalt aan het einde van de viering de oogst binnen. Het klinkt als communiezang of slotlied. Vergelijk het met een collectagebed. Dat klinkt aan het begin van de viering als de Schriften opengaan, xe8n het wordt gebeden aan het einde van de voorbede.

De preek is slechts een deel van de verkondiging. Die wordt voortgezet in liederen en gebeden en in de viering van brood en wijn. Ook het Bijbellied maakt deel uit van de verkondiging. Het is zinvol het homiletisch werk daarop af te stemmen in de wetenschap dat niet de preek het laatste woord heeft.

 

Tijdschrift voor Verkondiging

9 June 2011
By on 20:59